Worst

Al een paar weken, of misschien wel vanaf Kerstmis, lag er een halve worst in onze koelkast. Het was een ongeraffineerde worst, het rauwe varkensvlees in een darm gepropt en urenlang gerookt. Het was vermoedelijk onderdeel van een kerstpakket, want ik kon me niet herinneren dat ik hem had gekocht. Aangesneden op oudejaarsavond, maar de helft nog over. Daar lag hij dus nog, geamputeerd en verweesd, naast de eieren en de jam.
Nu ben ik parttime vegetarisch. Dus ik had niet veel aandacht voor de worst. Tot gisteren, toen wij een borrel dronken en naar de eindceremonie van de Olympische Winterspelen in Sotsy keken. Voor die was afgelopen, waren de cashewnoten al op. Verder bleek er niet veel in huis. Geen kaas, geen pinda’s, geen tomaten. Pas na een tweede wanhopige inspectie van de koelkast kreeg ik de halve worst in het vizier.
Ik sneed hem in plakjes en bracht hem op het snijplankje de kamer in. Daar werd de worst met afgrijzen ontvangen. ‘Die is echt niet lekker!’, klonk het vanuit de zithoek. Enigszins teleurgesteld over dit gebrek aan waardering voor mijn inzet, gooide ik de kont tegen de krib: ‘Dat eet ik hem wel op.’
Dit is zo’n situatie waarin twee principes met elkaar in strijd zijn. Eten gooi je niet weg. Die overtuiging zit er goed in. Als mijn echtgenoot zijn neus voor deze worst ophaalt, zit er niets anders op dan hem zelf op te eten. Nog voor het afsluitend vuurwerk in Sotsy begon, had ik de halve worst soldaat gemaakt en met rode wijn weggespoeld. Het vegetarische principe was niet opgewassen tegen mijn zuinige opvoeding. Bovendien was de worst prima te eten. Ik troost me met de gedachte dat dit varkentje toch niet meer te redden was.

Deel dit berichtTweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Dit bericht is geplaatst in samenleven en getagd , , . Bookmark de permalink. Reacties en trackbacks zijn beide momenteel gesloten.