Hart

Mijn hart klopt al meer dan een halve eeuw. Ik sta er niet vaak bij stil, maar het kan geen kwaad te beseffen dat het een spier is die nog nooit heeft verzaakt. Waar alle andere spieren in mijn lichaam al eens zijn gekneusd, gescheurd, verkleefd of verstijfd, blijft mijn hartspier pijnloos kloppen. Het geeft geen krimp, hoezeer ik het ook opjaag tijdens mijn hardlooprondje of mijn bloed verdun tijdens carnaval.
Hoe mijn hart eruit ziet, weet ik niet. Ik heb er wel een voorstelling van. Ik zie een illustratie voor me uit het biologieboek van de middelbare school: een pentekening, ingekleurd met rode inkt. Het hart hangt los in de ruimte met een abrupt afgesneden slagader en aorta. Er staan pijltjes bij van hoe het bloed erin gaat en hoe het eruit komt. Ik zie kransaders wat slordig rond de boezem kronkelen.
Mijn eigen hart zal er ongeveer zo uitzien. Nog geen littekens van infarcten, maar wel kalk in de aderen en inmiddels zullen zich klodders vet tussen de weefsels hebben opgehoopt. Ik heb meer dan twintig jaar gerookt en meer dan dertig jaar gedronken, en hoelang eet ik al niet veel te veel, veel te zout en veel te vet? Het hart moet er moe van zijn geworden.
Als ik stil lig in het donker, hoor ik het rammelen en ruisen. ‘Niets om je zorgen over te maken’, zei de schooldokter altijd, ‘veel mensen hebben een ruisend hart.’ Dat ruisen was een goed excuus. Een groot sportman was ik natuurlijk geworden, maar ja, een ruisend hart, je doet er niets aan. Maar in al die jaren nog geen spierpijn, zoals op dit moment weer eens in mijn rug, in mijn kuiten en in mijn nek.
Alleen in de poëzie is het hart de klos. Er is hartenleed, hartzeer en hartenpijn. Het hart huilt, het hart scheurt en het hart breekt. Er gaat mij veel aan het hart, maar het klopt al een halve eeuw onverstoorbaar door.

Deel dit berichtTweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Dit bericht is geplaatst in verbinding en getagd , , . Bookmark de permalink. Reacties en trackbacks zijn beide momenteel gesloten.