Kat

De held van het verhaal heeft een kat. Dat is prettig, want dan heeft de schrijver een mogelijkheid om de held een gezellig randje te geven. Het lijkt fijn, maar het maakt hem ook eenzamer. Want waarom heeft onze held niet gewoon een vriendin of een echtgenoot en kinderen. Daar ligt dan iets zieligs aan ten grondslag. Hij had nooit tijd, dus ze is nooit in zijn leven gekomen, of nog erger: ze is er tussentijds met een ander vandoor gegaan. Dan maar een kat. Het is een troostprijs.
Als hij thuiskomt op de heikele momenten in het avontuur, dan is daar de kat. Zijn grote vriend, die spint en kopjes geeft, die op het aanrecht springt en in de gordijnen. De kat die er altijd even is.
De kat is in het begin van het avontuur nog iets vanzelfsprekends. Onze held komt thuis, hij geeft haar eten, hij verschoont de kattenbak, en op zo’n eenzame avond zit hij met haar op de bank naar een slechte film te kijken. Dan midden in het avontuur, als hij een hele nacht in een vreselijke opeenvolging van gebeurtenissen verzeild raakt, verandert er ook iets op het thuisfront. De kat is ineens onvindbaar. Hij haalt zijn huis overhoop, hij vraagt het bij de buren, hij hangt een briefje op in de supermarkt. Het is een verontrustende episode in de roman; zijn gedachten dwalen vaak af, hij blundert, moet op het matje komen, alles dreigt in het honderd te lopen. Dan op het diepste punt van dit verhaal, verschijnt de kat weer ten tonele en keert alles nog op het nippertje ten goede. Zo gaat dat met een kat.

Deel dit berichtTweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Dit bericht is geplaatst in schrijven en getagd , , . Bookmark de permalink. Reacties en trackbacks zijn beide momenteel gesloten.