Taalcoach

Nederlands is een moeilijke taal. Dat merk je pas als je het iemand anders uitlegt. Eens in de veertien dagen praat ik een uurtje met een Turkse vrouw, die zich voorbereid op haar examen Nederlandse taal (NT1 en NT2) in januari. Gisteravond hadden we het over als-dan. “Als ik naar de Albert Heijn ga, dan moet ik mijn portemonnee meenemen.” Wat is daar moeilijk aan? Dat is de volgorde van de woorden!
In de meeste talen komt eerst het werkwoord en dan de rest. Dus logisch zou zijn: ‘Als ik ga naar de Albert Heijn, dan ik moet meenemen mijn portemonnee.’ Zo klinkt het vaak bij een allochtoon. Logisch, want in haar eigen taal doen ze niet zo moeilijk. In het Nederlands verandert de volgorde bij als en dan, bij mits en maar, bij terwijl en hoewel, en het verschil tussen omdat en want is helemaal niet uit te leggen: ‘Ik ga naar school, omdat ik een vak wil leren.’ Of: ‘Ik ga naar school, want ik wil een vak leren.’ Daar sta je dan als taalcoach. Ik heb er geen verklaring voor.
En dit zijn dan nog eenvoudige voorbeelden. Hoe meer mijn studente leert, hoe meer mijn didactiek tekort schiet. In veel Nederlandse zinnen halen we het gezegde helemaal uit elkaar. Tussen hulpwerkwoord en werkwoord kun je flink wat vragen kwijt: Hij is (wanneer) vanmorgen (met wie) met zijn vrouw (hoe) op de fiets (waarheen) naar de Albert Heijn gereden.
Ten slotte zijn het hem de kleine woordjes die er wel voor zullen zorgen dat het Nederlands er niet makkelijker op wordt. Let in deze zin op de woordjes: het, hem, de, die, er, wel, voor, dat, het, er, op. Daarmee krijg je een Turkse vrouw, die in haar moederland nog een gerespecteerd kleuterjuffrouw was, helemaal van slag. En ook de taalcoach doet er dan bescheiden het zwijgen toe.

Deel dit berichtTweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedIn
Dit bericht is geplaatst in communicatie en getagd , , . Bookmark de permalink. Reacties en trackbacks zijn beide momenteel gesloten.